Onderwijs op weg naar 2032: Negen dingen die NIET veranderen — en wat we daarvan kunnen leren

Prins Siddharta Gautama, de latere Boeddha, ontdekt dat alle mensen oud en steeds gebrekkiger wordenOver eeuwenoude levenswijsheden en wat die voor het moderne onderwijs betekenen. Geschreven met een knipoog naar de klassieke lessen uit het levensverhaal van prins Siddharta Gautama, de latere Boeddha, die we gaan aanvullen met recente levensinzichten.
Het centrale thema hierbij is: hoe kunnen we het beste omgaan met de onvolmaaktheden van het leven — en dit aan onze kinderen leren?

Dit artikel is een bijdrage van Geluksdoctorandus aan de landelijke discussie #onderwijs2032. Hier vind je de inleiding en een overzicht van de hele serie.

Ouderdom
Een van de dingen in het leven die niet veranderen, is dat wij allemaal ouder worden. Maar, zul je zeggen, daar heeft het onderwijs toch geen taak in?

Ouder worden, is in onze tijd allang niet meer de vloek die het eeuwenlang is geweest. Dankzij de AOW beschikken alle ouderen in Nederland over een basisinkomen. Vaak zelfs zijn zij rijker dan jongere generaties. In doorsnee zijn ze bovendien gelukkiger dan mensen van middelbare leeftijd.
Zowel onze levensduur als het aantal jaren dat mensen gezond zijn, stijgt nog steeds. En als je dan een keer iets hebt, zijn er prachtige middelen (van de rollator tot de prikpen), die het ongemak dat daarbij hoort zo klein mogelijk houden.
Voor kinderen behoort de ouderdom tot het laatste deel van hun levensfase. Hun focus ligt begrijpelijkerwijs op het nu en op de eerste periode na de schooltijd.
Hier en daar wordt er wel eens een kleuterschool naast een bejaardencentrum gebouwd. Maar op de gemiddelde basis- en middelbare school is de ouderdom afwezig. In de kerndoelen van het onderwijs komt het zelfs helemaal niet voor.

Dat niet alleen. De levensidealen waar onze jongeren voor leren zijn voor het grootste deel erop gericht dat ze zelfstandig en succesvol zullen zijn in het eerste, werkzame deel van hun middelbare leven.

Het is misschien een gekke vergelijking, maar de hedendaagse school heeft wel iets weg van het leven van de legendarische prins Siddharta (de latere Boeddha), die door zijn vader, de koning, opzettelijk ver van ouderdom, ziekte en dood werd gehouden.

Maar ook al is ouderdom nu allang niet meer de schrik die het ooit was, er zijn redenen genoeg om de ouderdom een plaats in het leerplan van de school te geven:

1. Leerlingen worden zelf ouder en op den duur oud. De jongeren van 2014 zijn niet alleen de volwassenen van 2032, zij zijn ook de ouderen van 2074, wanneer zij rond de zestig zullen zijn.
Veel meer dan zij dat zelf beseffen, zullen hun beslissingen en gewoontes van 2032, inclusief hun denkgewoontes, de kwaliteit van hun bestaan op latere leeftijd bepalen. Van gezondheid tot vriendschappen en geluk. Onderzoek geeft dit aan.

2. Leerlingen gaan in hun jonge leven regelmatig om met ouderen. Jongeren hebben vaak rechtstreeks te maken met oudere familieleden en soms met andere ouderen. Ouderdom is wel degelijk deel van hun leefwereld.
Hier ligt een didaktische kans van heb ik jou daar, die nog veel te weinig wordt benut.

3. Ouderen zijn een belangrijke bevolkingsgroep met eigen wensen (die de samenleving geld kosten), maar net zo goed met eigen krachten en een eigen perspectief. Waarom zouden kinderen wel iets leren over bijv. andere culturen of over ‘Arm en Rijk’ (kerndoel 46 van de onderbouw van het Voortgezet Onderwijs), maar niet over ‘Jong en Oud’?
Teveel van onze volwassen cultuur wordt beïnvloed door een overwaardering van de jeugd en van jeugdige waarden (dat is een algemeen bekende cultuurkritiek). Dit is niet in het belang van jongeren zelf. Geef ze de kans om daar doorheen te kijken!

4. Het perspectief op de wereld van ouderen is naar alle waarschijnlijkheid wijzer, en op meer ervaring gebaseerd, dan dat van jongvolwassenen, die nog strijden om maatschappelijk te slagen. Maar dit laatste is vaak wat het perspectief op school bepaalt.
Of het ermee te maken heeft weten we niet, maar mensen op leeftijd zijn vaak gelukkiger dan in hun eerdere jaren. (Er is een bekende ‘U-vormige grafiek’ van geluk: onderzoek laat keer op keer zien dat het gemiddelde geluk in moderne samenlevingen het laagst is tijdens de middelbare leeftijd. Daarvoor en daarna is het hoger.)

Er is dus veel voor te zeggen om het ‘oudere en wijzere’ perspectief vaker mee te nemen bij de keuze van leerdoelen en –inhouden.

Siddharta ontdekt dat alle mensen vroeg of laat ziek worden

Ziekte
Ook voor ziekte is op school weinig plaats. Terecht, zou je zeggen. Wie ziek is, moet en mag letterlijk thuisblijven. Eenmaal terug, is de voorbije ziekte zelden spannend genoeg om lang over te praten op het schoolplein.
In de les komt ‘ziek zijn’ eveneens nauwelijks aan bod. De kerndoelen die daarover zouden kunnen gaan, leggen begrijpelijkerwijs het accent op preventie. En anders wel, denk aan biologie, op de structuur en het functioneren van de gezonde mens.

En toch… en toch… lijkt hiermee opnieuw een belangrijke levenservaring buiten het beeld van toekomstige volwassenen te blijven.

Dat is niet zonder consequenties. Het uit zich bijvoorbeeld daarin – om bij mij eigen ervaringen te blijven – dat je van toeten noch blazen weet, wanneer je met een ingrijpende ziekte wordt geconfronteerd. Van jezelf of van iemand die je nastaat. Bijvoorbeeld kanker, hartziekte of dementie. En misschien weet je zelf nog wel andere voorbeelden.
De medische kant  wordt doorgaans nog wel uitgelegd in voorlichtingsfolders. Maar dat is maar de helft. Hoe zit het bijvoorbeeld met: het omgaan met een ziekte en ondertussen zo goed mogelijk verder leven? Ook samen.

Een ernstige ziekte lijkt soms zo’n enorme breuk met het vertrouwde leven, dat we helemaal opgaan in de ernst en het verdriet ervan, en vergeten dat het leven (ook voor de zieke zelf) gewoon verder gaat. We vergeten dat alledaagse gezelligheid, zodra het weer kan, nog steeds goud waard is. Dat een zieke niet bij alles geholpen hoeft te worden. En dat er vaak nog steeds perspectief is, al ziet het er nu misschien anders uit.
Zo zijn er nog wel meer levenslessen bij ziekte en het omgaan daarmee. Die kunnen het voor iedereen die daarbij betrokken is lichter en draaglijker maken, en zelfs het herstel bevorderen.
Uit geluksonderzoek blijkt dat mensen soms over verbazend veel veerkracht bij tegenslag beschikken. Als ze vóór hun ziekte gelukkig zijn, is de kans daarop een stuk groter.

We kunnen natuurlijk wachten tot het zover is, en het aan professionals overlaten ons rond ziekte sociaal en emotioneel te helpen. Maar het is toch veel beter als we in zo’n situatie zelf het heft in handen kunnen houden? Zou de school ons niet ook op ziekte en andere vormen van tegenslag in het leven mogen voorbereiden?

(Terzijde: in de loop der jaren heb ik een deel van mijn aanvankelijke onwetendheid ingehaald, en schreef bijv. het boek ‘Natuurlijk kun je kiezen bij kanker’).

Ook voor het thema ziekte zijn er goede redenen dit een sterkere plaats in het leerplan te geven. Ik zal hierbij zoveel mogelijk dezelfde structuur als bij ‘ouderdom’ aanhouden.

1. Leerlingen worden zelf ziek. Niet alleen als ze oud zijn, ook nu op school al. Ze kunnen ook last hebben van psychische klachten. En van andere beperkingen of handicaps. Tel dat eens bij elkaar op! Dan is ‘ziek zijn’ in al zijn variaties helemaal niet zo’n voorbijgaande uitzonderingssituatie als we onwillekeurig denken.
Je kunt ziek zijn en toch niet in bed liggen. Ziek zijn en helemaal niet ziek lijken. Je niet eens ziek voelen, maar toch bepaalde dingen niet kunnen. Het lijkt misschien gek, maar ziek zijn is ook best interessant! Het leert je veel over allerlei soorten begrenzingen aan het leven (bijna iedereen heeft wel met een of meer daarvan te maken) en hoe je daar zo goed mogelijk mee kunt omgaan.

2. Leerlingen gaan in hun jonge leven regelmatig om met zieken. Van poes tot vriendje tot oma.
Hoe weet je eigenlijk dat een poes ziek is? Kun je dat zien? Waaraan dan? Wat moet je doen bij een poes (of een baby) die zelf niet kan communiceren over pijn en ongemak? Hoe onderzoek je ziekte? Hé, hoe zou een dokter dat doen? Opnieuw: eindeloos veel vragen, midden uit het leven. En een didaktische koppeling naar bredere vragen, zoals ‘hoe doe je onderzoek?’, hoe ‘communiceren mensen (en dieren) met elkaar?’ ligt werkelijk voor het oprapen!

Waarom we dat alles niet zien, daar zijn veel redenen voor, maar een daarvan is dat het schoolvak biologie traditiegetrouw gekoppeld is aan de academische studie biologie en niet aan de geneeskunde (of zelfs maar aan beide). Die keuze is niet links en niet rechts, maar gewoon historisch gegroeid. Aan de universiteit is het logisch om die twee gebieden apart te onderwijzen. Op school, dus didaktisch gezien, is het helemaal niet nodig!

(Inmiddels werkt biologie soms samen met natuur-, scheikunde en wiskunde in het vak Natuur, Leven en Technologie (NLT). Hierbij heeft het onderwijs officieel o.a. als doel:
“De kandidaat kan natuurwetenschappelijke en wiskundige concepten toepassen op interdisciplinaire vraagstukken met betrekking tot bescherming, diagnose, genezing, verzorging of revalidatie van mensen.” Oef! Kan het niet wat dichter bij huis en bij eigen lijf en leven? — “Voorbeelden hiervan zijn medische beeldvormingstechnieken, het ontwerpen en testen van geneesmiddelen en technische ontwerpen ten behoeve van revalidatie” aldus de officiële handreiking van de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO).
Het klinkt allemaal erg ingewikkeld en technologisch. De simpele gedachte om leerlingen eerst eens over ziekte en gezondheid te laten nadenken uit het alledaagse perspectief van zelfzorg en van de huisarts – wat natuurlijk veel zinniger is – ontbreekt hier volkomen.)

3. Zieken zijn een belangrijke bevolkingsgroep met eigen wensen (die de samenleving geld kosten), maar net zo goed met eigen krachten en een eigen perspectief.
Net als bij ouderen gaat het om een ordegrootte van miljoenen in een land als Nederland of België. Stijgende ziektekosten worden als een van de grootste problemen van de moderne welvaartsstaat beschouwd, maar op school is ziekte, fysiek zowel als geestelijk, een marginaal onderwerp.

Onze volwassen cultuur wordt gekenmerkt door een overwaardering van gezondheid en van mensen die mensen die alles aankunnen en nooit iets hebben. Dit is niet eens in het belang van gezonde mensen zelf, want vroeg of laat worden ze zelf ook ziek of depressief of krijgen ze met fysieke beperkingen te maken.

4. Het perspectief van zieken op de wereld kan iets toevoegen aan dat van gezonde mensen.
Als je gezond bent, is het makkelijk om een can do-mentaliteit uit te stralen. Wie daar niet aan mee kan doen, zie je dan al snel als ‘iemand die afhaakt’.
Maar iemand die ziek is, op welke manier dan ook, wil vaak wel degelijk meedoen. Hij of zij heeft alleen een ander tempo of een ander ritme nodig, of bepaalde hulpmiddelen misschien. Zo iemand kan juist veel inzet en inventiviteit hebben om op een andere manier toch hetzelfde voor elkaar te krijgen.

Gewone scholen zijn de afgelopen jaren steeds vaker leerlingen met een beperking in hun klassen gaan opnemen (wat in de praktijk overigens niet meevalt!). Van bedrijven verwachten we inmiddels iets vergelijkbaars.
Is het dan niet vanzelfsprekend om ook het bijbehorende perspectief op de wereld – waarin sommige mensen iets minder goed meekunnen, maar er wel bij horen – een ruimere plaats in opvoeding en onderwijs te geven?

5. Anders dan bij oud worden – hier gaat de vergelijking niet helemaal meer op – kan de school ook aanzienlijk bijdragen aan het voorkómen van ziekte.
Dit geldt voor lichamelijke, zowel als geestelijke ziekte, zoals bijv. depressiviteit.
Onderwijs in geluk kan volgens onderzoek aan beide een bijdrage leveren. Het effect van geluk op gezondheid ligt gemiddeld in de buurt van twee jaar langer leven.

Prins Siddharta Gautama, de latere Boeddha, ontdekt dat mensen sterfelijk zijn.

Sterfelijkheid
We volgen nog even het voetspoor van prins Siddharta, die, eenmaal ontsnapt aan het paleis, het echte leven wil leren kennen. Wat zijn vader hem nog meer niet had verteld, en de moderne school soms ook niet (lijkt het wel), was: op het eind gaan we allemaal dood.

Als er iemand op school wordt doodgestoken, staat er een heel team van Slachtofferhulp klaar om daarbij begeleiding te bieden. Maar als Alexander of Mohamed’s opa, waar hij heel erg van hield, is overleden, mag hij dan zijn proefwerk overslaan? Is er – na de jaren van het groepsgesprek op de basisschool – nog ruimte om over dit soort zaken in de les te praten? Op goede scholen waarschijnlijk wel.

In het schoolplan is voor het thema sterfelijkheid echter geen ruimte. Docenten Levensbeschouwing en Godsdienst zouden het best willen bespreken en hebben er mooi lesmateriaal over. Maar het behoort niet tot de kerndoelen van de school. Als het toch aan bod komt, ligt dat helemaal aan de individuele school en docent.

Toch is het een prachtig thema, waarin zowel psychologie als godsdienst aan bod kunnen komen. Denk aan de kijk van verschillende levensbeschouwingen (Bijv. wat zeggen die over het leven na de dood? Én over het leven vóór de dood?) of aan de rol van rituelen (Wat is een ritueel? Gebruiken mensen vaker rituelen? Waarvoor en wanneer dan? Kun je eigenlijk zelf een ritueel maken?)

Ten slotte is sterfelijkheid psychologisch gezien symbolisch voor alles in het leven wat je ooit moet loslaten, soms reeds ver vóór het einde.

Zelfs binnen de Nederlandse les kan het aan bod komen. Rond de dood hanteren we immers bewust bepaalde manieren van schrijven en spreken. Vanaf een bepaalde leeftijd kan het zinvol en boeiend zijn daar oog voor te krijgen. Een grafrede is niet alleen maar verdrietig, het is ook een mooi moment om op iemands leven terug te kijken. En dat hoeven niet ‘allemaal leugens’ te zijn (zoals de uitdrukking “over de doden niets dan goeds” suggereert). Een grafrede wordt ook uitgesproken om de aanwezigen te troosten en treffende herinneringen op te halen. Wat komt daarbij het meest naar boven? Hoe zou je willen dat er in jouw grafrede over jou wordt gesproken? Stof voor goede lessen te over.

Sterfelijkheid is triest, hard en onvermijdelijk. Daarom gaan we het vaak automatisch uit de weg. Maar juist ook daarom hebben we in onze en in andere samenlevingen allerlei vormen gevonden om ermee om te gaan en het een plaats te geven. Waarom zouden die de school niet mogen binnenkomen?
Zo gek als het lijkt, laten we toch eens kijken of er argumenten zijn om het thema sterfelijkheid een plaats in het leerplan te geven. Ik zal opnieuw zoveel mogelijk dezelfde structuur als bij de eerdere onderwerpen aanhouden.

1. Alle leerlingen zullen vroeg of laat zelf sterven.
Toegegeven, dáár hoeven ze niets voor te leren. “Iedereen kan het”, zei onlangs nog de Denker des Vaderlands René Gude. Het levenseinde van de meeste scholieren ligt ook nog, uitzonderingen daargelaten, ver weg. Maar het is wel een essentieel kenmerk van het leven, dat je beter niet kunt verdringen.

2. Leerlingen hebben in hun jonge leven bijna allemaal wel eens te maken met iemand die dood gaat in hun nabije omgeving.
Dat kan hen soms heel diep raken. Vrijwel elke docent met de nodige jaren ervaring zal dat wel eens gemerkt hebben.
Ook in het nieuws zijn sterven en dood dagelijks nabij. Van criminaliteit tot onthoofdingen door terroristen, van verkeersslachtoffers tot de discussie over euthanasie.
Tot en met de zelf om zeep gebrachte doden die je nodig hebt om the next level te bereiken in Call of Duty

Het is niet te geloven met hoeveel verschillende betekenissen sterven en doodgaan bij opgroeiende jongeren vandaag de dag binnenkomen! En de school zou daaraan voorbijgaan?

3. Dode mensen zijn een belangrijke groep in onze samenleving…
Ahum, hier gaat de vergelijking met ziekte en ouderdom mank. Dus dit argument slaan we over. (Terzijde: ook over doodgaan mag je grapjes maken — zij het niet in elke situatie.)

4. Het levensperspectief van dode mensen…
Nee, dit werkt ook niet!
Maar je kunt wel spreken van het levensperspectief van mensen die weten dat ze gaan sterven. Dat is het perspectief van mensen die hun leven als geheel in ogenschouw nemen.

Natuurlijk mogen de levensjaren die voor scholieren het meest dichtbij zijn – dus de eerste werkjaren en waarschijnlijk ook die van een gezin – op school de meeste nadruk krijgen. Maar is het geen teken van wijsheid om bij scholing en opvoeding het perspectief van een heel leven voor ogen te hebben?

Juist het feit dat leraren op hun levensweg al een eind verder zijn – hoe ze dat gedaan hebben, of wat voor mens ze daarmee geworden zijn – kan voor scholieren een goede aanleiding zijn om hen (en daarmee de school) te waarderen.

We verlaten nu het pad dat de latere Boeddha destijds heeft gevolgd. We hebben ons daardoor laten inspireren met de voorafgaande drie thema’s van ouderdom, ziekte en dood.

Maar er is meer in het leven dat niet verandert en waar de school niet omheen kan.

Wat te denken van: tegenslag, fouten en vergissingen, schaarste, verandering, de noodzaak om keuzes te maken (waardoor er altijd dingen zijn die niet kunnen doorgaan) en de fundamentele onzekerheid bij het maken van zulke keuzes.

Die voorbeelden kunnen we putten uit de filosofie van Karl Popper (fouten en vergissingen), het existentialisme (de noodzaak tot kiezen) en zelfs de economische wetenschap (schaarste en ‘het opportuniteitsbeginsel’, wat slechts een variant is op de noodzaak tot kiezen) en de managementsliteratuur (verandering en onzekerheid).
Het lijkt misschien een potpourri, maar het is een verrassend samenhangend lijstje als je ze op een rijtje zet.

Ze hebben allemaal te maken met de onvolmaaktheid van het leven en de menselijke natuur.

Als we daar binnen de school geen rekening mee houden, houden we onszelf voor de gek.

Dat wil niet zeggen dat de mens slecht is, noch onverbeterlijk. Integendeel! Het gaat erom dat wij het ‘materiaal’ leren kennen van de opgroeiende mensen die wij zo graag op weg willen helpen naar een geslaagd leven in de 21e eeuw.

Wordt vervolgd.
Vind je dat deze kijk op onderwijs de aandacht verdient? Help dan om dit meer bekendheid te geven via de knop ‘Delen’ hieronder!

De illustraties bij dit artikel zijn citaten uit het stripboek “Het leven van Boeddha. Van Prins Siddharta tot Boeddha” door George Hulskramer (tekst), Bijay Raj Shakya en Raju Babu Shakya (tekeningen), uitgeverij Binkey Kok, 1995.

Dit bericht is geplaatst in Ethiek, moraal, filosofie en levenskunst, Onderwijs met de tags , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *