GELUK in de POLITIEK (5). Vuistregel 1: Beleid beoordelen vanuit geluk doen we ‘op proef’

Twee weken geleden begonnen we met de vraag: Hoe komt het dat ‘geluk’ in de politiek zo aanwezig is en tegelijk zo onzichtbaar?

De week daarna zagen we dat ‘geluk’ en ‘welbevinden’ bij een wetenschappelijke beoordeling van de gevolgen van beleid (c.q. bij kosten-baten-analyse) juist steeds meer als referentiepunt wordt beschouwd. Daardoor spitste de vraagstelling zich toe op: Hoe komt het dat politici een rationele benadering van beleid (waarbij ze vanzelf geluk zouden ‘tegenkomen’) zo weinig toepassen? En als antwoord suggereerden we dat dit bij complexe vraagstukken gewoon te moeilijk is.
In deze en de volgende blogs pak ik deze uitdaging op en probeer tot vuistregels te komen, die sturen op geluk in de politiek praktisch hanteerbaar maken.

Het is een experiment, dus voel je vrij om mee te denken en je reactie te geven! (Klik dan op ‘Leave a comment’ aan het eind van deze blog.)

Is sturen op geluk wel zo vanzelfsprekend?

Maar is sturen op geluk wel een taak van de politiek?
Voor we op pad gaan moeten we beseffen dat ons nog een ander moeras aan bezwaren en tegenargumenten te wachten staat. In het hart hiervan bevindt zich de vraag: Moet de politiek zich wel met geluk bezighouden? Is dit wel een taak van de staat, van de overheid? Moeten mensen dit niet zelf doen?

Deze (rhetorische) vraag veronderstelt dat de overheid zich nu niet met ons geluk bemoeit. Hij suggereert bovendien dat we een duidelijk beeld hebben van wat de overheid in principe wel en niet zou mogen doen. Beide zijn onjuist:

1. De overheid bemoeit zich regelmatig met ons geluk (ook al heet het niet zo)
Onze regering en overheid doen van alles en nog wat dat te maken heeft met de verbetering van onze welvaart, ons welzijn en welbevinden. Hetzij die van het land als geheel, hetzij die van specifieke groepen. Dit gebeurt in de vorm van geboden of verboden, van subsidies, garanties of aftrekposten, dan wel van belasting of boetes.
Elke moderne overheid heeft een systeem van regels, toezicht, straf en beloning, dat zich uitstrekt tot allerlei terreinen van het leven. Letterlijk van geboorte tot dood. Het gekke is dat tussen die mazen in ook nog eens redelijk veel vrijheid kan bestaan.

Al deze maatregelen worden stuk voor stuk gerechtvaardigd door te zeggen dat ze ‘goed zijn voor’ of ‘in het belang zijn van’ etc. Ofwel, dat ze bedoeld zijn om op deze of gene manier aan ons geluk (of het verminderen van leed en ongeluk) bij te dragen.

2. De politieke filosofie weet het ook niet (althans nog niet)
Er is binnen de politieke filosofie geen duidelijke, breed aanvaarde stelregel over wanneer iets wél en wanneer het géén taak is van de overheid. Als die er was, is trouwens het de vraag of politieke partijen zich er veel van zouden aantrekken. Het is duidelijk dat de overheid zich wel voor de belangen, de welvaart of het welzijn van groepen burgers mag inzetten, maar waar precies de grens ligt, kan geen enkele politieke filosoof ons vertellen.

De gangbare politieke filosofie stamt bovendien nog ‘van vóór de gelukswetenschap’. Ze gaat er vanuit dat mensen elk apart voor zichzelf ontdekken wat hen gelukkig maakt.

Uit het geluksonderzoek blijkt daarentegen juist dat er belangrijke algemeenheden zijn in wat mensen gelukkig maakt. Er is tot op heden nog geen filosoof geweest, die zich heeft afgevraagd wat de consequenties daarvan kunnen zijn voor de politiek. Maar daarom niet getreurd, de filosofie loopt wel vaker op de werkelijkheid achter (en gedeeltelijk ligt dat zelfs in haar karakter), dus die komt vanzelf ook wel.

Is geluk de hoogste waarde?
Ten slotte schuilt er nog een andere gedachte in de coulissen. Die gedachte luidt dat mensen die geluk bij de politiek willen betrekken, er altijd vanuit gaan dat geluk de hoogste waarde is. Dit laatste is ook het klassieke uitgangspunt van het utilisme: het grootste geluk voor het grootste aantal.

Maar je hoeft geen utilist te zijn om geluk belangrijk te vinden. En ‘geluk’ hoeft evenmin de hoogste waarde te zijn, om er serieus rekening mee te houden.

‘Welvaart’ is toch ook niet de hoogste waarde? Toch vinden politieke partijen van links tot rechts dit belangrijk. En de reden dat welvaart zo belangrijk is, is dat we aannemen dat het vroeg of laat tot meer geluk zal leiden.

‘Geluk’ is voor alle partijen relevant
Het beeld dat ons voor ogen staat is niet dat van geluk als kern van één specifiek wereldbeeld, dat sommige mensen via de politiek proberen te realiseren. (En dat daarbij dus met andere wereldbeelden moet concurreren.)

Het gaat er juist om dat mensen met verschillende wereldbeelden allemaal met geluk te maken hebben, zodra zij de gevolgen van hun beleid in kaart willen brengen.
Net zo goed als ze allemaal met de gevolgen van hun beleid voor onze welvaart of voor de werkgelegenheid te maken krijgen.

Wat wij weten over ‘geluk’ geeft lang niet op alle vragen antwoord
Zelfs als een partij (laten we zeggen een partij voor het geluk) in zijn programma zoveel mogelijk uitgaat van wat we weten over geluk, dan zijn er nog zoveel witte vlekken over. Dan zijn er nog zoveel zaken waar het onderzoek naar geluk niets over zegt. Bijvoorbeeld de afweging tussen huidig en toekomstig geluk, of tussen het geluk van de ene groep en het geluk van de andere groep, of tussen verschillende aspecten van geluk.
Ook zijn er nog allerlei interpretatiemogelijkheden wanneer je geluksbeleid concreet wilt maken. Bijvoorbeeld: snel of langzaam, vrijwillig of verplicht, door de juiste acties te belonen of door de verkeerde handelingen te straffen? Kortom, alle standaardafwegingen bij het omzetten van een politiek doel in daadwerkelijk beleid, keren terug bij geluk als thema van beleid.

Weer lijkt het of we bijna geen kant meer uit kunnen. Al die kanttekeningen en bezwaren! Zo gaat geluk het nooit halen in de politiek!

Maar wat nu als we die onzekerheid en die vraagtekens als vertrekpunt nemen?

‘Geluk’ heeft in de kern hele sterke credentials. We maken die niet zwakker door te onderkennen dat het niet overal een antwoord op kan geven. Met welk uitgangspunt kunnen we dit immers wel?

Vuistregel 1: Beleid beoordelen vanuit geluk kan heel goed ‘op proef ’
En daarmee kom ik bij de eerste vuistregel: Beleid beoordelen vanuit geluk doen we vooralsnog gewoon ‘op proef ’.
We hoeven geluk niet in te voeren als een nieuw groot ideaal. We gaan gewoon door met politics as usual (met de goede en de slechte kanten daarvan), maar we voegen er één ding aan toe: we gaan steeds vaker, per onderwerp, óók na wat de consequenties ervan kunnen zijn voor ons geluk.
Naarmate we dit bij meer onderwerpen doen, gaan we vanzelf steeds beter begrijpen welke rol ‘geluk’ in de politiek zou kunnen spelen. M.a.w. waar het wel en waar het niet zinvol is om op geluk te sturen. En of we dat gaan doen, dat beslissen we dan wel.

De vraag welke consequenties je daaruit kunt trekken, komt dus op de tweede plaats. Het gaat er allereerst om dat we gezamenlijk een beeld krijgen van wat de rol van geluk in de politiek kán zijn.

Volgende keer: Geluk in de politiek (6), vuistregel 2.

Dit bericht is geplaatst in Beleid, Politiek met de tags . Bookmark de permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *