Polderen vanuit een smal denkraam

GELUK in de POLITIEK (6)

Vuistregel 2: Het gaat om ‘geluk’ in samenhang met andere factoren

In deze serie blogs probeer ik tot vuistregels te komen, die geluk in de politiek hanteerbaar maken. Vorige keer bespraken we:
Vuistregel 1: Beleid beoordelen vanuit geluk kan heel goed ‘op proef’.
Deze keer bespreken we:
Vuistregel 2: Het gaat om ‘geluk’ in samenhang met andere factoren.

Beeld van de groene polder rond Oudewater (met dank voor de foto aan 'Onderwijsgek').

Geluksbeleid is minstens zo ruim als economisch beleid
Er is niet één specifieke maatregel waarmee de overheid geluk kan bevorderen. Netzomin als er één specifieke maatregel is waarmee de overheid de economie kan bevorderen. Of de geestelijke gezondheid. Of onze veiligheid. Het gaat altijd om een combinatie van factoren die ons gemiddeld gelukkiger maken (of minder ongelukkig) of die bepaalde groepen gelukkiger maken (of minder ongelukkig).
Bij de term geluksbeleid denken we onwillekeurig aan een beleidsgebied dat smal is en heel specifiek gericht op geluk, maar geluksbeleid is minstens zo omvattend als economisch beleid. In deze blog laat ik zien dat het thuishoort in het hart van de economische politiek.

SER-advies ‘Nederlandse economie in stabieler vaarwater’
Om vuistregel 2 te illustreren zullen we deze toepassen op een heel recent voorbeeld van (voorgesteld) economisch beleid, namelijk het SER-advies ‘Nederlandse economie in stabieler vaarwater’. Dit polderadvies werd vorige week vrijdag 5 april uitgebracht en wordt op 19 april besproken in de raadsvergadering van de SER. In de commissie die het advies heeft opgesteld zitten vertegenwoordigers van vakbonden en werkgeversorganisaties, van diverse ministeries, en onafhankelijke economen, zoals de hoogleraren Arnoud Boot en Lans Bovenberg en de directeur van het CPB Koen Teulings.

Een globaal doel-middel-schema
Wat ik zal doen, is een globaal doel-middel-schema maken van het SER-advies en daarnaast ‘op proef’ (zie vuistregel 1) een globaal doel-middel-schema leggen, zoals dat er uit zou zien wanneer we geluk als landelijk doel hanteren. Je hoeft daarvoor niet heel goed in economie te zijn. Ik heb het ooit geleerd als eerstejaars politicologie-student, maar je zou het op de middelbare school al kunnen uitleggen. Toch zal dit schema op treffende manier illustreren binnen welk denkraam deze knappe economische koppen opereren.

Waarom gaat het hier slechter dan in omringende landen?
Laat ik beginnen met het SER-advies. Dat is in allerlei opzichten een zinnig advies, dat ik met deze benadering helemaal niet onderuit wil (noch kan) halen. De SER constateert dat ons mooie landje het ondanks een hele goede uitgangspositie (wereldwijd in de top qua concurrentiepositie, zowel als welzijn) veel grotere conjuncturele golven doormaakt dan vergelijkbare landen. Als het goed gaat, stijgen we hoger; nu het slecht gaat dalen we dieper. De SER-commissie gaat dan ook op zoek naar factoren die speciaal voor Nederland gelden, die dit verschijnsel kunnen verklaren.

Ze zoekt deze op het terrein van:

• De woningmarkt, die verziekt is door de hoge hypotheekrenteaftrek en de daarop inspelende bankleningen, terwijl de huurmarkt eveneens slecht functioneert (mede doordat ‘huren’ fiscaal veel ongunstiger is dan ‘kopen’, omdat je er geen aftrek voor krijgt).

 • De banken, die voor al die hypotheekleningen op hun beurt weer buitenlandse leningen hebben afgesloten (waardoor de hypotheekrente in ons land nu een procent duurder is dan elders) en die daarnaast nog eens hun te lage kapitaal- en balansposities moeten versterken.

• Het pensioenstelsel, dat door al het internationaal belegde geld sterk gevoelig is voor financiële schokken en daarnaast ook sterk afhankelijk van de rente-ontwikkeling.

Gevolgen voor het geluk van…
Het SER-advies noemt een aantal groepen die hieronder lijden (m.a.w. in deze context: wier geluk in het geding is). Dat zijn bijvoorbeeld:

  • woningzoekers die moeilijker een hypotheek kunnen krijgen,
  • huizenbezitters die minder voor hun huis (vrezen te) krijgen dan ze verwacht hadden,
  • gepensioneerden die hun inkomen zien verminderen, of daarvoor vrezen.

Al deze mensen geven minder geld uit,

  • waardoor weer anderen hun werk verliezen.
  • MKB-ondernemers ten slotte verliezen daarnaast nog extra aan werkgelegenheid en verdienvermogen, omdat ze steeds moeilijker een lening van de bank krijgen.

De cruciale factor: vermogenseffecten
Het is dus mooi dat de SER daar iets aan wil doen, en de concrete maatregelen, waar ik hier verder niet op in zal gaan, klinken plausibel. De cruciale factor, die de SER daarbij gevonden heeft, en waardoor deze drie problemen met elkaar samenhangen, is: vermogenseffecten. Dat zit zo.

Dat de Nederlandse economie achterblijft bij de omringende landen ligt niet zozeer aan de export alswel aan de binnenlandse bestedingen. We zijn financieel onzekerder geworden over het vermogen dat we nog hebben en daardoor is het consumentenvertrouwen gedaald. In plaats van ons geld vrolijk uit te blijven geven, doen we nu wat elk verstandig mens zou doen: we zijn meer gaan sparen. En dit is slecht voor het herstel van de economische groei…

Van financiële zekerheid naar werkgelegenheid
Wat de SER beoogt, is: ons het gevoel van financiële zekerheid terugbrengen, zowel nu als bij toekomstige economische ups and downs. Daardoor durven we weer meer uit te geven. En gaat ons land weer groeien…

De nota bevat een zekere tweespalt. Enerzijds spreekt er bezorgdheid uit om woningzoekers, huizenbezitters, MKB-ers, gepensioneerden en werkzoekenden. Maar al deze zorgen worden opgenomen in een groter ‘structureel’ verhaal, dat er verbazingwekkend orthodox uitziet:

Doel: economische groei

Middel: consumeren (individueel)

Sub-middel: financiële zekerheid herstellen

 

Of misschien is het eerlijker om het zo uit te beelden:

 Doel: werkgelegenheid (en andere problemen oplossen)

Tussendoel: economische groei

Middel: consumeren (individueel)

Sub-middel: financiële zekerheid herstellen

 

Maar: Is economische groei echt de beste of zelfs enige manier om banen te creëren? En is consumeren echt de beste of zelfs enige manier om economische groei te realiseren?

Hangt de vooruitgang van ons land vooral af van het kopen van meer koelkasten, auto’s, keukens, kleding en tuinartikelen?

Is dit het belangrijkste wat zulke slimme economische koppen ons kunnen vertellen? Anno 2013? Nee toch?

Geluk en ongeluk in crisistijd
Het wordt tijd om te kijken hoe het schema in termen van geluk eruit zou zien. Een groot deel van ons geluk wordt bepaald door persoonlijke factoren, maar daar kijken we nu niet naar. Gek genoeg, heeft onze welvaart boven een bepaald niveau vrijwel geen invloed op geluk. Dus de gemiddelde burger kan best tegen een stootje, zoals ook blijkt uit onderzoek naar geluk bij eerdere crises. Dat geldt ook bij de daling van de waarde van een huis op zichzelf. Zolang dat vooral een getal op je bankrekening is, schrik je er wel van, maar je hoeft er niet van wakker te liggen.

De grootste daling in geluk komt terecht bij mensen die hun baan verliezen en bij mensen die het toch al moeilijk hadden, zoals armere ouderen (niet zo’n grote groep), en treft ook (verhoudingsgewijs) alleenstaanden zwaarder. In ons land komen daar dan nog bij: mensen met concrete problemen door de daling van de waarde van hun huis.

Zo’n daling in geluk is in veel gevallen tijdelijk, maar het kan daarbij wel gaan om een periode van jaren.

Ten slotte is nog een heel belangrijke factor: de kwaliteit van de overheid. (Er zijn meer factoren, maar om het overzichtelijk te houden is dit genoeg.) Dat leidt tot het volgende plaatje voor sociaal-economisch beleid. Simpel, niet?

Doel: Geluk

Middelen (in deze context):

Koopkracht          Werkgelegenheid           Kwaliteit overheid

De koopkracht is lichter van tint, omdat die voor de meeste groepen weinig invloed op het geluk heeft, met uitzondering van de groepen die het echt moeilijk hebben. De kwaliteit van de overheid is ook lichter omdat die nu relatief goed is, dus weinig extra aandacht behoeft, maar natuurlijk wel goed moet blijven. De cruciale factor is de werkgelegenheid. (Daarbij is er een invloed van koopkracht op werkgelegenheid die, gegeven onze huidige welstand, waarschijnlijk groter is dan die van koopkracht op geluk.)

De twee schema’s met elkaar vergeleken
Op het eerste gezicht zou je de twee plaatjes, die van de SER en die vanuit het geluk, moeiteloos in elkaar kunnen schuiven. In beide gevallen is werkgelegenheid immers hét centrale doel dat de overheid moet proberen te beïnvloeden. Daarnaast zou het beleid zich rechtstreeks kunnen richten op het (on)geluk van groepen die concreet door de problemen in de huizenmarkt worden geraakt (meer daarover de volgende keer).

Werkgelegenheid maakt gelukkig, maar hoe bereik je die?

  • Vanuit het geluksperspectief draait het om werkgelegenheid, waarbij het open is met welke middelen die wordt bevorderd. Uiteraard zullen middelen die tevens bijdragen aan geluk daarbij hoger scoren.
  • In het SER-perspectief staat financiële zekerheid centraal. Vervolgens zal dit automatisch leiden tot meer consumeren, dit veroorzaakt automatisch meer economische groei en dat veroorzaakt automatisch meer werkgelegenheid.

Maar al die veronderstelde causale samenhangen zijn niet zo vanzelfsprekend. Ze zijn er natuurlijk wel, zo gek zijn ze bij de SER ook weer niet. Maar de vraag is: hoe groot en hoe direct deze invloeden zijn en zijn ze wel de enige of zelfs de belangrijkste?

Om maar een enkel voorbeeld te noemen: ook de overheid kan ‘consumeren’ ofwel investeren. Professor Heertje himself had dit naar voren kunnen brengen. En dit ligt zelfs extra voor de hand als je weet dat het nagestreefde herstel van individuele consumptie vrijwel niet aan ons geluk bijdraagt. Verdelen van werkgelegenheid is ook een optie. Het denken hierover lijkt wel helemaal stil te staan.

Samenhangend werkgelegenheidsbeleid, wat is dat?
Het is je misschien niet opgevallen, maar ondanks een al jaren voortdurende crisis, waarbij het verlies aan werkgelegenheid het grootste nadelige gevolg is, voert Nederland nog steeds geen samenhangend werkgelegenheidsbeleid.

Google maar eens op “werkgelegenheidsbeleid”, en je vindt vooral Belgische treffers. Zoek maar eens op de site van “het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid”. Of lees het regeeraccoord 2012 na. Werkenden krijgen volgens het accoord extra geld “om werken weer lonend te maken”. Ouderen worden financieel aangemoedigd om langer door te werken. De arbeidsparticipatie van vrouwen moet omhoog. Maar waar al dat werk vandaan komt? “Duurzame economische groei” zegt het regeeraccoord. Natuurlijk. Tuinartikelen!

Smal toiletraam als symbool voor een smal denkraam ofwel denkkader

Slotvraag: hoe ontsnappen we aan ons te kleine denkraam?
Wat we hier zien in bredere zin is dat ‘polderen’ weliswaar een mooie gewoonte is, maar daarom nog geen oplossing biedt voor het smalle economische denkraam dat ons land in zijn greep heeft. Ook het polderen blijft gevangen in de context van gedachten die vóór de crisis al achterhaald waren.

Het is alsof we, op onze tenen, glurend door het wc-raampje, het landschap dat zich voor ons uitstrekt in beeld proberen te krijgen. Zelfs vakbondseconomen en onafhankelijke hoogleraren zijn kennelijk niet in staat dat smalle denkraam te doorbreken—en dat is verontrustend. Maak uw blaas leeg, dames en heren en kom op het balkon staan. Doe de deuren wijd open en kijk om u heen.

Denken in termen van geluk leidt niet automatisch tot oplossingen (zoals in dit geval, waar we nog steeds een samenhangend werkgelegenheidbeleid nodig hebben). Maar het heeft wel een belangrijke verdienste: het dwingt ons ertoe het versmalde denkkader van de conventionele kijk op politiek en economie open te breken!

O.k., we hebben nu twee vuistregels voor geluk in de politiek:

Vuistregel 1: Beleid beoordelen vanuit geluk kan heel goed ‘op proef’.

Vuistregel 2: Het gaat om ‘geluk’ in samenhang met andere factoren

Volgende keer: vuistregel 3.

Dit bericht is geplaatst in Beleid, Economie, Geluksonderzoek, Misverstanden over geluk, Politiek met de tags , , , , , , , , . Bookmark de permalink.