Hoe gevaarlijk is het utilitarisme?

Het was niet zomaar verkeerd. Nee: “Dit is een blinde vorm van utilitarisme. Deze vorm van gruwel breidt zich steeds verder uit”, verklaarde de Italiaanse kardinaal Elio Sgreccia vorige week op radio Vaticaan. Hij bedoelde daarmee de nieuwe Belgische euthanasieregeling, die hij als “monsterlijk” omschreef — maar mijn oor werd getroffen door het woord utilitarisme.
Het utilitarisme speelt namelijk een grote rol op de achtergrond bij het onderzoek naar geluk. “Hoe gevaarlijk kan dit wel niet zijn?”, vroeg ik mij af. Reden genoeg om daar eens een blog aan te wijden.

Kardinaal-moppert-over-utilitarisme (o.a. in Trouw)

Is er soms iets mis met het geluk van de medemens?
Utilitarisme (soms ook utilisme genoemd) streeft naar het grootste geluk voor het grootste aantal mensen. Het begon bij de Brit Jeremy Bentham (1748-1832) en is een generatie later uitgewerkt door John Stuart Mill (1806-1873).
Er zijn zelfs in theologische kring voorlopers aan te wijzen, zoals Richard Cumberland en John Gay, die meenden dat God zelf ons vroeg het geluk van de medemens te bevorderen. Opnieuw stel ik mijzelf de vraag: hoe erg kan dit zijn?

‘Eerbied voor het leven’ tegenover ‘plezier’
Om eerlijk te zijn, moet ik me daarbij natuurlijk ook in de schoenen van de kardinaal verplaatsen. De kardinaal is in ethische zin een ‘personalist’. Wat hem hoog zit, is dat het utilitarisme ons leven zo plezierig mogelijk wil maken en geen respect zou hebben voor het leven als zodanig.
Strict genomen, zijn er in het klassieke utilitarisme inderdaad geen hogere waarden dan het verminderen van menselijke pijn en het verhogen van menselijk plezier. Dat klinkt best mooi, maar ook tamelijk oppervlakkig. Terwijl voor christenen (en ook anderen) juist eerbied voor het leven een waarde is die boven alles staat.

Wanneer ging hij voor het laatst naar school?
Tot zover zou ik de 85-jarige kardinaal best kunnen volgen, ware het niet dat hij een charmante vogelverschrikker (het 18e eeuwse utilitarisme van Bentham) uitbeeldt als de hedendaagse verpersoonlijking van de duivel. Utilitarisme in de zin dat menselijk plezier de hoogste waarde is, wordt door bijna geen filosoof meer aangehangen (en speelt zelfs geen serieuze rol in het debat over euthanasie).

Welke rol speelt het utilitarisme tegenwoordig dan wel en doet dit geen afbreuk aan de gelukswetenschap?

Het utilitarisme vindt dat je een moreel oordeel over iets moet baseren op de gevolgen die dit heeft voor het menselijk welzijn. Daarbij zijn er twee belangrijke punten in relatie tot het door de kardinaal geschetste beeld.

1. Utiliteit is menselijk welzijn
Utiliteit of nut wordt allang niet meer louter gezien als het minimaliseren van pijn en het maximaliseren van plezier. Er vindt in de filosofie al een tijdlang een serieuze discussie plaats over de vraag wat nut eigenlijk is.
Dat werd hoog tijd, want het woord ‘nut’ (dat oorspronkelijk, bij Bentham en Mill, in brede zin geluk betekende!) was in de loop der tijd door de economen opgeëist en daarbij zelfs versmald van ‘pijn en plezier’ tot ‘kosten en baten’, ofwel financieel gewin. Economen namen daarbij stilzwijgend — en soms zelfs expliciet — aan dat ‘meer geld’ de best mogelijke indicator van ‘meer geluk’ zou zijn. En zonder dat wij het beseften, had de economie zich daarmee opgeworpen als de best mogelijke plaatsvervanger van de (toen nog niet bestaande) gelukswetenschap.
Door deze discussie over nut opnieuw te openen, is het utilitarisme een nieuw stadium ingegaan.
In de filosofische literatuur wordt utility inmiddels onomwonden als well-being opgevat. Ook steeds meer economen beseffen dat ze daar niet omheen kunnen.

De vraag is vervolgens: wat is well-being? Wat is menselijk welzijn? Op grond waarvan zeggen we of het goed met iemand gaat?
(Zie bijv. Utilitarianism. A Guide for The Perpexed, door Krister Bykvist, 2010, dat een heel hoofdstuk wijdt aan deze discussie over welzijn.)
En het antwoord ‘maximaliseren van plezier’ is daarop slechts een van de (minder populaire) antwoorden. Het is immers duidelijk dat een geslaagd leven ook vaak pijn en tegenslag bevat.

Het hedendaagse utilitarisme heeft zodoende een discussie op gang gebracht die voor iedereen, gelovig en ongelovig, relevant is.

2. Is menselijk welzijn de hoogste waarde?
Voor een stricte utilitarist is menselijk geluk de hoogste waarde. Zulke denkers zijn er wel, de filosofen Peter Singer en Fred Feldman bijvoorbeeld, of de gelukseconoom Richard Layard. De meeste geluksonderzoekers staan daar echter pragmatisch tegenover.

Pionier Ed Diener legde dat onlangs mooi uit in de inleiding tot zijn verzameld werk:
Toen wetenschappers het geluk eenmaal gingen bestuderen, vroegen ze zich niet zozeer af of dit inderdaad de meest wensenswaardige toestand was. In plaats daarvan gingen ze op zoek naar de oorzaken en de gevolgen ervan “aannemende dat het goed was, onafhankelijk daarvan of het ook het hoogste goed was.” (Ed Diener, The Science of Well-Being, 2009, p.1).

En vraag jezelf maar eens af: hoevéél waarden zijn er eigenlijk die (nog) hoger zijn dan menselijk geluk? 
Zulke waarden zijn er misschien wel, maar veel zijn het er niet. Wellicht de waarde dat het geluk en welzijn van iedereen gelijk meetelt. Maar in het dagelijks leven, op ons werk en in de maatschappij zullen we maar zelden met hogere waarden dan geluk te maken hebben. Pas bij vragen over leven en dood (zoals euthanasie of de vraag of iemand zijn leven in de strijd tegen onrecht wil opofferen) wordt het moeilijker.
Dit betekent dat we het over minstens 90% van alle kwesties op basis van geluk met elkaar eens kunnen worden!

Maar zou deze wetenschap de kardinaal ook gelukkiger maken?

Dit bericht is geplaatst in Ethiek en moraal, Geluksonderzoek met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *