Geluk in de politiek (2) – het geluksdoctorandus-principe

Geluk lijkt in de context van het landsbestuur al snel veel ‘te licht’ in vergelijking met de ‘zware’ en ‘belangrijke’ zaken die dagelijks de krantekoppen halen. Het klinkt als ‘leuke dingen voor linkse mensen’. Iets dat weinig oplevert, maar de overheid wel geld kost… 
Hoe krijg je dát beeld omgeturnd? Hoe kun je laten zien dat het bij geluk in de politiek vooral om het toepassen van een andere maatstaf gaat — wat op zichzelf helemáál geen geld kost? 

Blik op de Ridderzaal als symbolisch centrum van politiek Den Haag schuin van achterenDit waren enkele gedachten die door mij heen speelden, toen HP/DeTijd mij vroeg een essay over geluk en politiek te schrijven. Het antwoord dat ik vond, bleek zo eenvoudig dat het bijna lachwekkend is.
Daarom heb ik het ook maar met een knipoog het geluksdoctorandusprincipe genoemd. Maar het is heel serieus:

• Neem twee verschillende beleidsmaatregelen. Ze kosten evenveel! Maar het ene plan levert meer geluk op dan het andere. Welke zou je kiezen? 

Als geluk niets extra kost, dus in feite gratis is, kan toch geen weldenkende Nederlander er tegen zijn?

Zelfs geen politicus, zou je toch denken?

Op deze centrale gedachte baseerde ik het HP/DeTijd-essay. Daar zijn allerlei nuances bij denkbaar. Er zijn varianten op mogelijk. En er is verbeelding nodig om praktische voorbeelden te verzinnen. Dat kwam in de rest van het verhaal aan de orde. Maar in de kern: zo simpel is het!

Blijft over de vraag: hoe kwam ik daarop?

Was ik wellicht geïnspireerd door Albert Heijn?
Eerlijk gezegd, had ik het idee vóórdat ik wist waar het vandaan kwam. Het duurde even voor ik de draad ernaartoe gevonden had. In eerste instantie kwam Albert Heijn in mijn gedachten boven drijven: we moeten immers op de kleintjes letten? Of had ik teveel naar Mark Rutte geluisterd? Of naar flauwe grappen over zuinige Nederlanders (die ik zelf ook wel eens maak): “Het is gratis!”.

Maar op de achtergrond resoneerde iets anders. Dit waren twee voorbeelden van een schijnbaar ontzaglijk simpel idee, waar achteraf in het ene geval een nieuwe wetenschappelijke discipline uit voortkwam (de welvaartseconomie) en waarmee in het andere geval een belangrijk filosofisch debat (over rechtvaardigheid en ongelijkheid) nieuw leven werd ingeblazen. Bovendien hadden die twee ideeën onderling verwantschap. Dit zijn ze.

 1. Het idee van Pareto-efficiëntie
Hiervoor moeten we bijna anderhalve eeuw terug in de tijd. Vilfredo Pareto was een Italiaanse econoom die leefde van 1848 tot 1923. Hij worstelde o.a. met de vraag hoe je een onpartijdig principe van economische vooruitgang kunt vinden, dus zonder dat je je daarbij op een specifieke morele filosofie hoeft te baseren. (Hij probeerde dus hetzelfde als wat ik met geluk wilde laten zien.)

Pareto’s oplossing was de volgende:
• Vooruitgang vindt plaats wanneer minstens één persoon voordeel boekt, zonder dat een van de anderen uit de groep erdoor wordt benadeeld.

Een ‘Pareto-optimum’ is dan ook iedere verdeling van geld of goederen, die dusdanig is dat niemand in de groep er meer op vooruit kan gaan, zonder dat iemand anders erop achteruit gaat.

Ik zag direct hoe mijn geest dit, onbewust maar logisch, had vertaald als “Pareto-optimaal is elke maatregel waardoor tenminste één persoon erop vooruit gaat, zonder dat dit de groep als geheel iets hoeft te kosten” — m.a.w. zolang het gratis is!

Vaag herinnerde ik me trouwens nog hoe teleurgesteld ik was, toen ik dit principe voor het eerst tegenkwam. “Dus dít is hoe economen vooruitgang opvatten?”, dacht ik verbijsterd. “Is dit alles wat zij ervan kunnen maken? Zolang er maar één persoon vooruitgaat, en de rest niet achteruit, hebben we vooruitgang. Dank je de koekoek! Dat kan ik zelf ook verzinnen.”
En wát dan die vooruitgang is, zegt het verhaal nog steeds niet. Meestal zal dit (uiteraard) in geld worden gemeten.

Maar als doctorandus ben je getraind om van de argumenten van je ‘tegenstanders’ te leren. Inwendig bleef het mij intrigeren. Dat je op zo’n schijnbaar nietszeggend — maar toch onloochenbaar! — uitgangspunt, mét allerlei nuances en varianten, en met een beetje praktische verbeelding, toch een heel wetenschappelijk vakgebied kon baseren!
En niet het eerste het beste ook: de welvaartseconomie is een van de pijlers voor de modellen van bijv. het Centraal Planbureau en vergelijkbare instanties.

2. John Rawls’ rechtvaardiging van ongelijkheid
Lang daarna ontdekte ik een tweede voorbeeld, dat historisch al even invloedrijk was gebleken. En weer later pas besefte ik hoe treffend de gelijkenis daarvan met Pareto’s optimum wel is. Dit was Rawls’ theorie over rechtvaardigheid in relatie tot ongelijkheid.

Net als Pareto zocht John Rawls (1921-2002) naar een theoretisch systeem dat boven de partijen kon staan. In zijn geval ging het over een theorie van rechtvaardigheid. Die ging vooral over een rechtvaardige inkomensverdeling.
Of we het nu leuk vinden of niet, was zijn gedachte, geld verdienen motiveert mensen tot vernieuwingen, waar wij allemaal voordeel bij hebben. Het is niet verstandig om dat tegen te gaan. Dan zouden wij met z’n allen in een wereld leven, waarin er ook voor armere mensen minder overblijft.

Maar is er dan geen grens aan de ongelijkheid die daaruit voortkomt?

Dit was de vraag van John Rawls. Zijn antwoord was:
• Ongelijkheid is gerechtvaardigd, zolang deze ertoe leidt dat de minst gegoeden erop vooruitgaan.

Anders gezegd, en om het te vergelijken met Pareto: zolang nog één persoon die het echt nodig heeft erop vooruitgaat, is ongelijkheid (in moreel opzicht) een vooruitgang.

Dat Rawls in zijn opzet om een neutrale theorie te bedenken geslaagd is, blijkt daaruit dat zijn filosofie inderdaad van links tot rechts aanhangers vond; in Nederland liep dat van bekende PvdA-aanhangers tot vooraanstaande VVD-leden.
(Er valt ook wel wat tegen Rawls’ theorie in te brengen, net als tegen die van Pareto, maar dat laat ik hier gemakshalve buiten beschouwing.)

De essentie is: Als twee zulke breed geaccepteerde en gerespecteerde theorieën op zo’n eenvoudig uitgangspunt gebaseerd zijn — waarom zou dat met geluk niet óók kunnen?

En zo kwam ik op:

3. Het Geluksdoctorandus-principe:
• Zolang de financiële kosten en baten gelijk blijven, maar met ander beleid ten minste één Nederlander gelukkiger wordt (en meestal zullen het er wel meer zijn), verdient dat beleid de voorkeur.

Je mag het natuurlijk ook gewoon het geluksprincipe noemen ;-)

Dit bericht is geplaatst in Beleid, Politiek met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.