De volgende stap in #Onderwijs2032—hoe maken we van een prikbord vol ideeën een zinnige discussie?

Prikbord door Cornelia Durka en Birgit Vogel, Creative Commons licentie 2.5Dit artikel is een bijdrage aan de landelijke discussie #onderwijs2032 uit het perspectief van een gelukkige(r) schoolHier vind je de inleiding en een overzicht van de hele serie.

Januari 2015 is bijna om. Daarmee komt een voorlopig einde aan het debat over hoe ons onderwijs er rond het jaar 2032 uit zou moeten zien — althans aan de discussie via internet met de tag #onderwijs2032.
Het debat gaat daarna verder met bijeenkomsten van ouders, docenten en andere betrokkenen. Landelijk discussieleider wordt prof. dr. Paul Schnabel, die tot voor kort directeur was van het Sociaal-Cultureel Planbureau. In het najaar zal hij dan met steun van de landelijke Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) een “koersdocument” opstellen.

Maar hoe kom je van een prikborddiscussie – waarbij iedereen elektronisch een briefje in het karton pint – tot een zinvol beeld van het onderwijs als geheel? Laten we eens met Paul Schnabel meedenken over hoe het verder kan gaan.

1. Ideeën verzamelen en clusteren
Ja, we kunnen alle briefjes verzamelen en in groepen clusteren. Dat is best aardig voor een beeld van de discussie en de aantallen geven een indruk (maar meer ook niet) van het belang dat je aan bepaalde zaken kunt hechten. Iets dergelijks zal er vast wel komen. Het zorgt ervoor dat de deelnemers zich gehoord voelen, en het geeft inderdaad een aardig overzicht (maar meer ook niet).

Zo werd de roep om ‘mindfulness’ gelukkig behoorlijk vaak gehoord. Zo vaak zelfs dat de staatssecretaris er een kort filmpje aan wijdde.

Echter, al net zo voortvarend kwam bijv. de Hartstichting een briefje met ‘reanimatie-lessen’ in het karton prikken — daarbij geheel over het hoofd ziend dat de school ook wel eens een bijdrage aan preventie van hartziekten zou kunnen leveren… Zo zijn er meer voorbeelden van geïsoleerde ideeën te geven (eerlijk gezegd, de meeste).

2. Kijken of er een trend in zit
Maar we blijven nog even optimistisch. Misschien dat uit al die ideeën bij elkaar een aantal ‘trends’ (of tendenties) tevoorschijn komt, die duidelijk afwijken van wat nu in het onderwijs gebruikelijk is. Dan zijn we toch een stap vooruit en heeft Paul Schnabel alvast een paar leuke discussiepunten voor de gespreksrondes.

Maar dan? Hoe verder?

Het punt is dat bijna niemand – zelfs de meeste docenten, onderwijsambtenaren en onderwijsjournalisten niet! –, een idee heeft van wat erbij komt kijken om samenhangend over de school als geheel na te denken. Dit is namelijk iets heel anders dan het maken van een leerplan voor een enkel vak.

Zoals SLO-directeur Jan van den Akker zegt: “[Zo’n totaalbeeld over onderwijs] is er nooit geweest, en dat houdt verband met artikel 23 van onze Grondwet. Door het belang dat we hechten aan de vrijheid van onderwijs, is elk gesprek over de inhoudelijke koers van het onderwijs tot nu toe bij voorbaat taboe geweest.”

(Geluksdrs: Je zou misschien denken dat een dergelijk debat dan wellicht binnen de verschillende stromingen in het onderwijs zou hebben plaatsgevonden, maar dat is evenmin het geval geweest.)

“Een debat als dit”, zegt Van den Akker, “hebben we dus nog nooit gevoerd.”

Misschien daarom ook dat zelfs de staatssecretaris niet besefte dat er nogal wat ‘voorafgaande’ vragen bij aan de orde zijn. Vragen waaraan ook Schnabel, de SLO en de deenemers bij het vervolg van deze discussie niet zullen ontkomen, zoals:

3. Op welke levenssituaties moet onderwijs voorbereiden?

• Op welke situaties in het leven willen we dat het onderwijs kinderen (c.q. toekomstige volwassenen) voorbereidt?

Tot nu toe luidt het antwoord in hoofdzaak: een beroep, het zij de praktische of de wetenschappelijke voorbereiding daarop.
Maar willen we daarnaast niet óók: kinderen in het algemeen op het leven voorbereiden? Waaronder op het omgaan met ziekte en tegenslag, zoals ik dat in een andere blog schetste?
Hebben we niet ook een verplichting om wat we weten over geluk en gezondheid en hoe je die kunt bevorderen aan onze kinderen door te geven?

In het verlengde van deze vraag liggen er andere:
Kan dat wel met het huidige vakkenpakket? Moet je dat überhaupt in vakken organiseren? Gedeeltelijk kan een andere indeling didaktisch veel effectiever zijn.
Waarom zijn er bijv. geen themagebieden rondom de belangrijkste menselijke behoeften? Zoals voeding, wonen, zorg, veiligheid etc. Iedereen heeft daar in zijn dagelijks leven mee te maken. Er zijn praktische vaardigheden voor nodig, maar ook samenwerking. En door te kijken hoe dit op grote schaal werkt, leer je veel over de samenleving en over organisaties (waaronder de toekomstige werkgevers).

Heel andere vragen zijn nog:
Gaan we dat vervolgens net zo (cognitief) toetsen als nu? Of zullen we eens vaker naar andere toetsvormen kijken? Of kunnen we voorkomen dat de de plicht tot toetsen indirect bepaalde vakken hoger waardeert dan andere? (Zoals nu eindexamenvakken zwaarder wegen dan die waarin niet wordt geëxamineerd.)

4. Moeten kinderen leren over de wereld of ook over hen zelf?

• Gaat leren op school hoofdzakelijk om het beheersen van de dingen buiten ons, of ook om het omgaan met elkaar en met onszelf?

Deze gedachte heb ik globaal uitgewerkt in een eerdere blog over de grammatica van een gelukkige school. Wie schetst mijn verbazing dat de driedeling die ik daar maakte, vrijwel identiek is aan die van de bekende onderwijsfilosoof Gert Biesta!

De betekenis en de werking van het onderwijs worden volgens Biesta bepaald door drie verschillende processen:

 i. kwalificatie
het je eigen maken van kennis en vaardigheden (specifiek of breed);

ii. socialisatie
je voorbereiden op een leven als lid van een gemeenschap en kennismaken met tradities en praktijken (bijv. sociaal-politiek, cultureel, professioneel);

iii. subjectivering
vorming van de persoon (bijv. autonomie, verantwoordelijkheid).

Het is even wennen aan de moeilijke woorden. Maar deze drie komen vrijwel overeen met wat ik zelf in De grammatica van een gelukkige school noemde:

i. leren omgaan met de wereld (‘leren in de derde persoon’); dit is bij Biesta kwalificatie,

ii. leren omgaan met anderen (‘leren in de tweede persoon’); dit is bij Biesta socialisatie,

iii. leren omgaan met jezelf (‘leren in de eerste persoon’); dit is bij Biesta subjectivering.

Met des te meer kracht van spreken durf ik nu dus te beweren dat deze indeling in drie perspectieven essentieel is voor het nadenken over onderwijs.

Dat wil niet zeggen dat je daar dan ook drie specifieke vakken voor nodig hebt. Je kunt beter zeggen dat elk vak of leergebied aan alledrie deze dimensies aandacht moet schenken. De manier waarop mogen ze dan zelf weten.
Bij sommige vakken kan dit trouwens makkelijker dan bij anderen. Dat geeft niet, mits je er dan wel voor waakt dat het voor de school als geheel in evenwicht is.
(Dankjewel, Gert Biesta, voor deze indirecte bijval. Spreekt dit je aan als lezer, lees dan bijv. zijn boek: Het prachtige risico van onderwijs.)

Tenslotte moeten we bij dit alles bedenken dat deze drie ‘genres’ van leerprocessen gedeeltelijk zelfs helemaal niet in een expliciet leerproces zijn te gieten. Ze hangen mede af van de sfeer op school, van het voorbeeldgedrag van de docenten en nog veel meer. Kortom, van talloze softe zaken, die je echter wel degelijk kunt ‘overdragen’ en waarin leerlingen zichzelf kunnen oefenen, mits je dit soort leerprocessen waardeert en er tijd en aandacht aan schenkt.

Daarmee hebben we al twee hoofdonderwerpen aan prof. Schnabel en SLO directeur Van den Akker aangedragen. Maar ik wil er nog een derde, heel belangrijke, aan toevoegen.

5. De verdeling van vrijheden tussen leerlingen, docenten en overheid
Op een of andere manier heeft bijna iedereen de neiging heel instrumenteel over de school te denken: leerlingen moeten dit leren of ze moeten dat leren. Zowel docenten als leerlingen zelf hebben dat kennelijk maar gewoon uit te voeren.
Van de weeromstuit hebben onderwijsvernieuwers daardoor de neiging de zaak om te keren: laat docenten of leerlingen zelf bepalen wat ze op school willen onderwijzen of leren.

Het is echter heel goed mogelijk om tussenvormen te vinden, en in feite gebeurt dat ook al vaak (maar nog onvoldoende). De overheid geeft dan aan docenten aan welke ‘eindtermen’ ze hun leerlingen moeten bijbrengen, maar laat de manier waarop aan de leraren zelf over. Op haar of zijn beurt kan een leraar soms weer keuzes aan de leerling overlaten, zonder dat het leerdoel daardoor in gevaar komt.
Nederlandse scholen zijn hier verhoudingsgewijs zelfs vrij goed in—wat volgens onderzoek van Brulé en Veenhoven bijdraagt aan het geluk van hun leerlingen.

Zo ook hoeft deze hele discussie rond #onderwijs2032 helemaal niet uit te monden in een orgie van nieuwe verplichtingen voor de scholen (wat hier en daar gevreesd wordt). Of zelfs maar in de noodzaak om uit al die gedetailleerde verplichtingen een selectie te maken. En al evenmin hoeft de vrijheid van onderwijs daarbij in het geding te zijn.

Er is een veel intelligenter aanpak mogelijk.

Je kunt namelijk ook heel goed, als eindresultaat, een aantal uitdagingen formuleren waarop scholen (in vrijheid) een antwoord moeten zien te vinden. Scholen hoeven dat trouwens niet alleen te doen. Ze kunnen dat doen samen met ouders, met leermiddelenuitgevers, met wetenschappers en misschien nog wel andere groepen.

Ze moeten daarbij niet allemaal in hun eentje het wiel gaan uitvinden. Verwante scholen kunnen juist heel goed samen in dezelfde richting zoeken. Zaak is om dan goed uit te wisselen en van elkaar te leren. Binnen dezelfde (overheids)kaders kunnen bij dit alles verschillende oplossingen mogelijk zijn.

Dit doet recht aan de vrijheid van onderwijs, maar ook aan de autonomie van docenten, ouders en leerlingen (wat aan hun geluk bijdraagt). En, last but not least, juist door het naast elkaar bestaan van verschillende experimenten kunnen we ook wetenschappelijk het nodige leren.

Had het tot nu toe anders gekund?
Persoonlijk denk ik dat we een vruchtbaarder discussie rond #onderwijs2032 hadden gekregen, wanneer de staatssecretaris (met al zijn ambtenaren, potverdikkie!) het soort zaken als ik hierboven beschreef eerst van tevoren had doordacht. Wanneer er op grond daarvan aan de deelnemers een globaal oriënteringskader was verschaft van wat er op het spel staat. En wanneer die discussie misschien in een aantal opeenvolgende stappen zou zijn opgedeeld, in plaats van op een fluitsignaal iedereen meteen naar het prikbord te laten rennen.

Een waardevolle kans, laten we die waarnemen
Dat neemt niet weg dat er iets moois in gang is gezet. Iets dat onder leiding van Paul Schnabel en met steun van de SLO waarschijnlijk wel meer structuur en diepgang zal krijgen.

Al met al is dit een geweldige kans en uitdaging om als samenleving, los van de directe politieke strijd, tot een beeld van beter onderwijs te komen. 

Dus ik wens het vervolg van dit traject alleen maar heel veel succes toe!

Dit artikel is een bijdrage aan de landelijke discussie #onderwijs2032Hier vind je de inleiding en een overzicht van de hele serie. 

 

Dit bericht is geplaatst in Onderwijs met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

4 reacties op De volgende stap in #Onderwijs2032—hoe maken we van een prikbord vol ideeën een zinnige discussie?

  1. Lucy Spoelstra schreef:

    Heel interessant. Scholen zouden zich niet alleen moeten richten op het i.q. van hun leerlingen, maar ook veel meer op het ontwikkelen van hun e.q. Daarmee worden die leerlingen niet alleen zelf gelukkiger, maar ze maken er dan ook anderen gelukkiger door.

  2. Goed idee om de indeling van Biesta als kader te gebruiken. Zie strategisch beleid OSG Sevenwolden!

  3. Olav Swart bekend op de website OnsOnderwijs2032 als OSwart schreef:

    Geluksdoctorandus, beetje late reactie maar wel gemeend. Als informaticus sta ik helemaal achter je bevindingen. Deze publieke discussie (waar ik enthousiast aan deelneem) is een informatie farce. Een chaos van geroep en gemeen zonder uitgangspunten met slechts een schimmige doelstelling. Dit alles gemodereerd door een nauwelijks transparant platform dat voornamelijk voortkomt uit de traditionele onderwijsgremia. Wij van WC-Eend adviseren…
    Ik ben met je van mening dat deze discussie niet opgestart had mogen worden zonder een gedegen analyse van de problematiek bij het onderwijs ten opzichte van de eisen die de samenleving inmiddels al heeft met betrekking tot dit onderwijs. Als automatiseerder constateer ik dat het probleem helemaal niet ligt bij wat we gaan studeren maar op Hoe we gaan studeren. Het probleem is relatief simpel. De huidige samenleving vraagt al een forse toename van benodigde kennis, sociale en persoonlijke vaardigheden. Het is in de huidige ambachtelijke manier van onderwijs geven niet mogelijk om deze toename, differentiatie en flexibiliteit in het leerprogramma op te nemen of zelfs maar in te persen. Dat betekent dus afscheid nemen van traditioneel ambachtelijk onderwijs en misschien wel van het hele instituut school. Maar hoe dan verder. Laten we daar eerst eens over discussiëren en wegen vinden. Met nieuwe inzichten en technieken ook uit andere vakgebieden dan onderwijs komen we al een heel eind verder. Willen we nieuw en adequaat onderwijs dan moeten we de discussie (het ontwikkelproces) in de juiste volgorde voeren en is een PimPamPet vraag als “Wat leren we in 2032” nog niet relevant. De vraag is wat moet het resultaat van het onderwijs (dus zonder de sektarische uitsplitsing naar schooltypen) in 2032 zijn. Ik hoop dat de doctorandussen in 2032 ons en zichzelf heel gelukkig gaan maken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *