De grammatica van een gelukkige school

Montage van beelden die samen een indruk geven van het klaslokaal en de school van de toekomst.

Wie emotioneel gezond is op jonge leeftijd, heeft later de grootste kans om een gelukkig leven te leiden. Deze invloed is sterker dan die van inkomen, en zelfs groter dan die van kennis en opleiding.
Dit blijkt uit onderzoek van het Centre for Economic Performance van de London School of Economics onder leiding van de Britse econoom Richard Layard.
Het verscheen deze maand in the Economic Journal. Een gratis PDF kun je hier vinden. Ook The Guardian schreef er over. Nederlandse kranten natuurlijk weer niet. 

Met de uitkomsten van dit onderzoek wordt een van de kerngedachten van het huidige onderwijs, “een geslaagd leven is vooral afhankelijk van een goede cognitieve scholing”, flink gerelativeerd.
Of we het nu welbevinden, emotionele gezondheid, geluk of mentale fitheid noemen, het verdient zo langzaamaan een plaats in ons toekomstige onderwijs. Maar niet zomaar als “weer een vak erbij”.

Wat ik in dit artikel ga betogen, is dat we geluk en mentale fitheid in de context van de hele school moeten beschouwen. Ik zal daarvoor een simpel kader introduceren, dat alles wat je op school leert in één verband bij elkaar brengt. Dit is ontleend aan de grammatica, maar het gaat over het hele leven.

Deze blog is tevens een advies aan staatssecretaris Dekker in het kader van #onderwijs2032. (En is nu al meer dan 400 x gedeeld.Hier vind je de inleiding en een overzicht van de hele serie.

Een hele eer! Staatssecretaris Dekker heeft mij gevraagd om mee te denken over de school van de toekomst — en jullie trouwens ook  ;-)

Hij wil een discussie uitlokken over ons toekomstige onderwijs vóórdat de politiek zich ermee bemoeit. Dat gaat over de vraag:

– Wat moeten kinderen leren op school zodat ze klaar zijn voor hun toekomst?

Voor als ze volwassen zijn, in bijvoorbeeld 2032, en vanaf dan zelf hun leven moeten inrichten.

Dat is om te beginnen een prachtig initiatief. Hoeveel onderwerpen worden niet van begin af aan in een linksrechts-discussie getrokken, waardoor inzichten en ideeën (of zelfs basiskennis) die over het probleem zelf gaan geen kans meer krijgen. Dekker wil het anders doen. Complimenten!

Cover-Boek-Gelukkig-voor-de-klas Cover-boek-opvoeden-tot-gelukOp weg naar een gelukkige school
Kunnen we op basis van het geluksonderzoek advies geven? Natuurlijk kan dat. Om te beginnen kunnen ouders en docenten zelf zich verdiepen in geluk, en die inzichten in hun eigen leven toepassen. De stap om hun kinderen en leerlingen gelukkiger te maken, is dan niet zo groot meer. Jacqueline Boerefijn en Ad Bergsma schreven daar onlangs twee prachtige boeken over die iedere ouder en docent zouden moeten lezen: Opvoeden tot geluk. Help je tiener puberen en Gelukkig voor de klas. Ga voor meer werkplezier en betere leerprestaties.

Leerlingen lesgeven in geluk is ongetwijfeld waardevol. Het onderzoek hiernaar is echter nog wat pril om er veel over te zeggen. Vaak ging het slechts om een beperkt aantal lessen. Daarbij bleek niettemin al dat lesgeven in geluk ook nog eens gunstige neveneffecten kan hebben, zoals een prettiger sfeer in de klas of betere (cognitieve) leerprestaties.

Dat het thema ‘geluk op school’ inmiddels uit meerdere wetenschappelijke bronnen kan putten, laat de stichting Mentale Fitheid 2020 zien. Deze naam geeft aan dat training in mentale fitheid eigenlijk net zo vanzelfsprekend zou moeten zijn als het nastreven van lichamelijke fitheid. Meerdere partners (van gemeentes tot universiteiten) werken inmiddels samen om mentale fitheid uiterlijk in 2020 deel van het onderwijs te maken. Daarbij putten ze vooral uit drie universitaire gebieden: de positieve psychologie, het onderzoek naar mindfulness en de neurowetenschap.

Wat ik in dit artikel echter vooral wil betogen, is dat we geluk en mentale fitheid in de context van de hele school moeten beschouwen. Ik zal daarvoor een simpel kader schetsen, dat alles wat je op school leert in één verband samenvat.

Daarbij hebben we niet genoeg aan geluksonderzoek of neurowetenschap, maar moet je ook kijken naar een ander wetenschapsgebied. Dat is de curriculumtheorie, of in gewoon Nederlands: leerplanontwikkeling.

Cur-ri-cu-lum-theorie???
Heb je er ooit wel eens bij stilgestaan dat er een wetenschap zou kunnen zijn die zo verstandig mogelijk ‘kiest’ welke vakken er op school worden onderwezen?

Kun je dat überhaupt wel wetenschappelijk beredeneren?

Geloof het of niet, maar dit wetenschapsgebied bestaat echt! Het is een deel van de onderwijskunde, en bij uitstek een toegepaste wetenschap (net als bijv. bedrijfskunde!) en dus softer, maar tegelijk veel praktischer, dan wat we meestal – heel streng – onder echte wetenschap verstaan.

Niet echt wetenschappelijk
En dan zal ik je gelijk maar een van de belangrijkste inzichten van de curriculum-wetenschap vertellen: Het leerplan (bijv. van de basisschool) zoals wij dat nu kennen, heeft wetenschappelijk gezien vrijwel geen enkele basis. Het is een samenraapsel van vakken.
Stukjes daarvan, bijv. voor taal of rekenen of natuurkunde, kunnen wél heel goed in elkaar zitten. Ik heb het ook niet over het schoolwerkplan, waar goedwillende schoolteams jaarlijks het beste van proberen te maken. Maar ik heb het hier over het leerplan voor de school als geheel, waarvan de kaders landelijk zijn vastgelegd.

Als je wilt weten waarom het ene vak er wel in zit en het andere niet, of waarom het ene belangrijk wordt geacht (zoals wiskunde) en het andere veel minder (bijv. maatschappijleer), moet je dit niet aan een leerplanwetenschapper vragen, want die zal het antwoord schuldig blijven.
Nee, je moet het aan een onderwijshistoricus vragen! Die zal je dan uitleggen waarom de mensen in een bepaalde tijd sommige onderwerpen belangrijk vonden en andere niet.
En zo’n historisch gegroeid systeem, daar zitten wij nu mee.

Terug naar de middenschool
Denk nu niet dat ik de eerste of enige ben die dit zegt. In de zeventiger jaren ontstond er in Nederland (en in andere landen, zoals Duitsland) een uitvoerige discussie over de middenschool. Die ging voor een groot deel over ongelijkheid. Na de basisschool gingen kinderen van arbeiders doorgaans naar vakscholen en kinderen van hoog opgeleide ouders naar het VWO. De middenschool zou kinderen uit lagere milieus meer kans geven, door die schoolkeuze uit te stellen. Binnen de middenschool zouden alle leerlingen namelijk nog een tijdlang dezelfde lessen krijgen en dezelfde dingen leren. Zo zouden arbeiderskinderen een grotere kans hebben om door te stromen naar hoger onderwijs. Of dat een goed idee was, daar gaat het hier niet over.

Maar het plan voor een middenschool ging ook nog over iets anders!

Het was voor het eerst sinds vele decennia dat mensen zich weer gingen afvragen: Wat moeten kinderen eigenlijk op school leren? Welke vakken zijn daarvoor nodig? Moeten ze dat überhaupt wel in de vorm van vakken leren of kan het ook op een andere manier?

Wie bepaalt dat eigenlijk?
Ik studeerde in die jaren onderwijssociologie en onderwijskunde. Daarnaast deed ik de lerarenopleiding maatschappijleer. Al jaren daarvóór (toen ik zelf nog op school zat) wroette er iets bij mij. Omdat je elke week bijv. 3 uur wiskunde, 2 uur Nederlands en 1 uur aardrijkskunde krijgt, tekent zich vanzelf bij elke leerling een soort vanzelfsprekendheid af over wat belangrijk is en niet. Dat is vaak: wat meetelt voor je examen en de rest niet.

Ik was helemaal niet slecht in wiskunde, maar ik begreep niet dat je met iets wat je bijna nooit in je leven gebruikt (ook nu nog niet) zoveel uren bezig moest zijn. Sinds de middelbare school heb ik nooit meer integraalvergelijkingen gemaakt. (Jij wel?) In stilte vroeg ik mij af: Wie heeft er toch bedacht dat dit zo belangrijk is? Maar er was geen schoolvak dat mij dáárop antwoord gaf…

Ik kon wel juichen en was verontwaardigd tegelijk
Maar inmiddels, nu ik het vak leerplanontwikkeling had gekozen, had ik de kans om daar achter te komen! Al mijn onderhuidse gevoelens werden bevestigd: “Zie je wel, er zit helemaal geen systeem in!”

Dat was een van die rare momenten dat ik als het ware juichend de straat op wilde gaan, maar totaal niet wist met wie ik dat gevoel kon delen en hoe ik kon uitleggen dat die ontdekking mij zo diep had geraakt.
Daarbij ging dat juichende gevoel ook nog eens gepaard met verontwaardiging. “Hoe is het mogelijk dat op een school waar alles op basis van wetenschap wordt gerechtvaardigd (weet je immers nog wat VWO betekent?), de keuze van de vakken zelf zomaar uit de lucht is komen vallen?”

Goed nadenken over onderwijs, het kan dus wel!
Maar nu studeerde ik dus curriculumtheorie en buiten woedde de discussie over de middenschool. Vooral in Duitsland waren er onderwijskundigen die zo verstandig mogelijk probeerden te beredeneren wat je nu echt, in deze tijd, zou moeten leren. (De bekende Hartmut von Hentig was er een van, geloof ik. Op het gebied van maatschappijleer was het met name Wolfgang Hilligen, over wie ik later mijn scriptie schreef.) Een aantal van die ideeën kon en kan je soms ook in Nederland beluisteren. Maar er is bijna niemand die weet dat dit met curriculumtheorie te maken heeft.

Of anders gezegd, die weet dat je op een nuchtere en systematische manier (dus niet noodzakelijk politiek gekleurd of door idealen gedreven) over het leerplan voor de hele schoolperiode kunt nadenken.

Praktische wetenschap stelt vragen
In die tijd heb ik geleerd dat je niet per se harde wetenschap nodig hebt om een probleem op te lossen. Harde wetenschap kan immers alleen maar dingen uitzoeken die er al zijn. Als je echt wilt weten wat het effect van geluksonderwijs is, moet je eerst een school hebben die alle leerlingen zes jaar lang geluksonderwijs geeft. Maar als niemand zo’n school wil opzetten, voordat er wetenschappelijk onderzoek naar is gedaan, gebeurt dat natuurlijk nooit.

Nee, bij het opstellen van een leerplan voor de hele school moet je allereerst goede vragen kunnen stellen. Niet zomaar slimme vragen, maar heel specifieke, want ze moeten uitmonden in een schema van wat leerlingen globaal moeten leren.

Dat kun je nooit dwingend beredeneren, maar er kan wel systeem in zitten en een zekere logica. En dat is heel wat meer dan je van het leerplan in het huidige onderwijs kunt zeggen!

Ik vond en vind dit een prachtige vraag
Je zou bijv. kunnen vragen:

– Welke dingen uit onze cultuur (en daarmee uit onze eeuwenlange geschiedenis) vinden wij zo belangrijk en waardevol dat je die verplicht aan iedere toekomstige wereldburger zou willen leren?

Ik vond en vind dit een prachtige vraag, omdat die ons dwingt te zeggen wat wij in al die eeuwen als mensheid nu echt hebben geleerd. Dat is niet cynisch bedoeld. Er is veel dat de moeite waard is! Het mooie van onderwijs is dat wij al zulke ‘schatten’ – waar de mensheid als geheel soms eeuwen voor nodig had (!) – in een geconcentreerde vorm aan toekomstige generaties kunnen doorgeven.

Staatssecretaris Sander Dekker in de klas
Onze kinderen leven in een andere tijd
Maar hoe mooi ook, toch is die vraag nog onvolledig en erg algemeen. Tenslotte gaat het bij onderwijs niet alleen om wat oudere generaties doorgeven, maar tegelijk willen we nieuwe mensen in een nieuwe tijd op hun leven voorbereiden. Daarvan moeten we ons dus eveneens rekenschap geven.

Dit leidt tot een kernvraag als:

– Wat hebben leerlingen in hun toekomstige leven (als volwassenen) nodig?

En ‘wat’ kun je dan opsplitsen in bijv. kennis, houding en vaardigheden. Dus dan heb je al drie vragen:

– Welke kennis hebben leerlingen in hun toekomstige leven (als volwassenen) nodig?

– Welke houding(en) hebben leerlingen in hun toekomstige leven (als volwassenen) nodig?

– Welke vaardigheden hebben leerlingen in hun toekomstige leven (als volwassenen) nodig?

Je kunt die vraag ook nog opdelen in levensgebieden, bijv. op het werk, in relaties, rondom gezondheid enzovoort.

Jongeren leren niet alléén voor hun toekomst
Dergelijke vragen raken aan de kern van wat staatssecretaris Dekker met zijn initiatief bedoelde. Toch moeten we daarbij een andere vraag niet vergeten, namelijk:

– Wat hebben leerlingen in hun huidige leven (als opgroeiende jongeren) nodig?

Netzomin als volwassenen alleen maar ‘werken voor hun pensioen’, kun je jongeren bij de les houden als ze alleen maar ‘leren voor later’. Ze hebben nu een ongemakkelijke relatie met hun klasgenoten, of ondervinden nu hun eerste rozekleurige verliefdheid.
Maar daarbij kun je als docent of ouder wel streven naar een verbinding tussen nu en later.

En ook deze vraag (wat hebben leerlingen in hun huidige leven, als opgroeiende jongeren, nodig?) kun je weer opsplitsen in kennis, houdingen en vaardigheden, en naar levensgebieden.

Hoe kom je van lange lijsten naar een zinvolle structuur?
Als je alleen maar deze vragen stelt, is het gevaar echter dat je louter hele lange lijsten krijgt, met allemaal opsommingen van dingen die kinderen zouden moeten leren.
Je hebt dus méér nodig om daar structuur in aan te brengen. De klassieke structuur is die van ‘schoolvakken’, maar die is onderwijskundig gezien niet per se nodig. Bovendien zijn die schoolvakken zelf (en het onderlinge gewicht daarvan), zoals we zagen, tamelijk willekeurig gekozen.

Daarom wil ik hier een nieuw idee introduceren. Het is een oeroude structuur, want hij komt uit de grammatica. Toch is deze bij mijn weten nog nooit op deze manier in het onderwijs toegepast.

Eerste, tweede en derde persoon
Hoe slecht je vroeger ook hebt opgelet op school  ;-) , iedereen weet vast nog wel dat er in de grammatica een ‘eerste persoon’, een ‘tweede persoon’ en een ‘derde persoon’ bestaan.

• De eerste persoon staat voor ik en (in meervoud) wij.

• De tweede persoon staat voor jij en (in meervoud) jullie.

• De derde persoon staat voor het, hij en (in meervoud) hullie

— eh, sorry… ik bedoel natuurlijk: zij.

Het is geen toeval dat elke grammatica van elke taal ter wereld deze drie ‘personen’ kent. Dit komt namelijk omdat het drie fundamentaal verschillende perspectieven zijn, waarmee mensen in de wereld kunnen staan.

• In de eerste persoon draait het om iemand zelf, om “ons eigen”.

• In de tweede persoon staan we per definitie in relatie tot iemand anders, die terug kan praten.

• In de derde persoon hebben we het ‘over’ personen of dingen, waarvan we geen reactie terug verwachten.

Deze driedeling vinden we in zekere zin ook terug in de wetenschapstheorie. (Nog even geduld, ik kom zo weer bij de school terug!)

Het perspectief vanuit de derde persoon
De natuurwetenschappen verschaffen ons bij uitstek derdepersoonskennis.
Het gaat dan over dingen, die niet terug kunnen praten, maar wel eigen wetmatigheden hebben. Als je die wetmatigheden kent, kun je die ‘dingen’ (of het nu objecten zijn of energie) manipuleren, zodat er iets gebeurt wat jij wilt; en dat is hardstikke handig.
Zulke kennis, in het groot en in het klein (dus van natuurkunde en scheikunde tot koken – chemie! – en timmeren), moeten wij aan toekomstige volwassenen leren. Daarmee kunnen zij straks in hun behoeften en die van hun medeaardbewoners voorzien.

Het perspectief vanuit de tweede persoon
Bij de tweede persoon gaat het om alles wat zich tussen mensen afspeelt. Denk aan sociale wetenschappen, ethiek en moraal. Over menselijk gedrag kun je tot op zekere hoogte ook wetmatigheden leren en mensen kunnen elkaar eveneens manipuleren. Maar mensen zijn er in essentie om met elkaar te praten, om elkaars bedoelingen te interpreteren, en te proberen vreedzaam en gelukkig met elkaar samen te leven.
Het gaat hier niet alleen over samenwerken op school zelf, het gaat erom dat kinderen de maatschappij waarin ze terechtkomen begrijpen. Dat ze iets snappen van democratie, godsdienstvrijheid, ons economische en rechtssysteem, de rol van de overheid etc. Alles wat onze welvaart en vooruitgang mogelijk heeft gemaakt, maar wat we binnen het onderwijs eindeloos onderwaarderen ten opzichte van exacte vakken en technologie.

Het perspectief vanuit de eerste persoon
De eerste persoon tenslotte is waar het over gaat, als we naar onszelf kijken. Of niet kijken, maar alleen maar voelen. ‘Ik’ heb honger. ‘Ik’ heb pijn. ‘Ik’ ben boos. ‘Ik’ voel me opgewekt. ‘Ik’ ben onrustig. ‘Ik’ ben gelukkig. Hiermee houdt de psychologie zich bezig, inclusief het geluksonderzoek, maar ook een beetje de biologie, de geneeskunde en de bewegingswetenschap.
‘Ik’ besta o.a. uit mijn lichaam, ademhaling, emoties en geest of bewustzijn (het Engelse mind). Jezelf leren kennen draait niet alleen om uitdrukken wat je voelt, maar om te beginnen uit überhaupt beseffen dat je binnenin jezelf van alles kunt voelen. Niet alleen pijn aan je teen, maar ook subtielere gevoelens. Essentieel is het ook om te ontdekken dat je daar op verschillende manieren mee kunt omgaan, en dat sommige manieren vruchtbaarder zijn dan andere.
Een kind dat goed met zichzelf kan omgaan, zal vaak anderen ook beter begrijpen. Het zal de mensen om hem of haar heen, anders benaderen. Het zal zelfs minder snel ziek worden.

Wat betekent dit voor het leerplan van de school?
Kinderen hebben in hun leven met alledrie deze dimensies te maken. Zowel in hun huidige situatie als kind of jongere en in de toekomst als volwassene.

Om het, vanwege de duidelijkheid, maar even scherp te stellen. Eigenlijk zijn er op school maar drie vakken of vakgebieden nodig, namelijk: 

1. Hoe ga ik om met de wereld? (3e persoons perspectief)

2. Hoe ga ik om met anderen? (2e persoons perspectief)

3. Hoe ga ik om met mijzelf? (1e persoons perspectief)

Voor elk van deze drie gebieden kunnen we vervolgens nagaan (op basis van de eerder genoemde vragen) wat leerlingen daarbinnen nodig hebben om het leven aan te kunnen.

Zo zou, in essentie, mijn advies aan staatssecretaris Dekkers luiden.

Hoever zijn we hiermee gekomen?
Natuurlijk is dit nog maar een begin, en misschien schrijf ik nog wel een vervolg erop. Maar laten we eerst even kijken hoever we hiermee gekomen zijn.

a. We hebben een prachtig kader om te zien waar zwakke punten zitten in het huidige onderwijs.
Het is namelijk vrijwel uitsluitend gefocust op hoe wij in het leven staan in het derdepersoonsperspectief. Het eerste- en het tweedepersoonsperspectief zullen door de betere leraren heus wel aan de orde woorden gesteld, maar in het leerplan is er maar weinig plaats voor. Leerlingen die dáárin goed zijn, ondervinden vanuit het schoolsysteem geen bijzondere waardering en hun talenten worden dus niet aangemoedigd.

b. We hebben een beeld van een school, die leerlingen integraal op het leven voorbereidt.
Of het haalbaar is, dat zien we nog wel. Maar we hebben in elk geval een richting! Dankzij dit schema zullen we belangrijke dimensies niet meer over het hoofd zien!
Dat niet alleen, hopelijk heb je (door dit hele artikel te lezen!) gezien dat er allerlei manieren zijn om op een zinnige manier na te denken over wat de school nu eigenlijk zou moeten onderwijzen. Laten we dat vaker doen! (Nogmaals: lof aan de staatssecretaris.)

c. Het is duidelijk geworden dat ‘geluk’ of ‘mentale fitheid’ niet zomaar nieuwe vakken zijn die aan het onderwijs moeten worden toegevoegd.
Het gaat er, veel fundamenteler nog, om dat het onderwijs kinderen helpt (op basis van wat de mensheid daarover tot nu toe geleerd heeft, bijv. uit het geluksonderzoek) op een psychologisch gezonde manier met zichzelf om te gaan. En met anderen om te gaan. En beide zouden een veel zwaarder gewicht verdienen dan ze nu krijgen.

Een eerste stap is altijd abstract
Is dat radicaal? Nee, maar het is nog wel abstract!

Dat is (althans tijdelijk) onontkoombaar als je vanaf het begin wilt doordenken waar onderwijs ook alweer voor bedoeld is. Als je in een paar zinnen wilt samenvatten wat leerlingen straks in vele jaren moeten leren, lijkt dit me toch een mooi begin.
Nu moet het concreter worden gemaakt. Daartoe zou je een deel van de hierboven genoemde vragen moeten uitwerken en beantwoorden: wat hebben kinderen nodig op elk van deze drie gebieden?

Niets verhindert ons om daarbij tevens naar de bestaande schoolvakken te kijken: wat bieden die al? Vervolgens ontdek je vanzelf: wat ontbreekt er? Dat voeg je er dan aan toe. Waarschijnlijk zien we dan ook makkelijker: wat is eigenlijk overbodig?

Laten we niet te snel in vakjes denken
Tegelijkertijd zit er een gevaar aan, om te snel opnieuw in termen van schoolvakken te denken. Die zijn vaak – min of meer – afgeleid van universitaire vakgebieden. Maar ze lopen daarbij vaak mijlenver achter op de universiteit zelf, die bijv. allang het geluksonderzoek een plaats heeft gegeven. Zo zijn er meer voorbeelden te geven, waarbij het gewone onderwijs als ‘afspiegeling’ van de wetenschappelijke kennis sterk achterloopt.

Als je primair vraagt ‘wat kinderen nodig hebben’, hoeft dat echter helemaal niet in de vorm van vakken gegoten te worden die overeenkomen met een wetenschappelijke grote broer of zus. In beginsel kun je best een vakgebied als ‘omgaan met jezelf’ of ‘omgaan met anderen’ of ‘omgaan met de dingen in de wereld’ inrichten.
Het zou zelfs kunnen dat iets dergelijks, leerpsychologisch gezien, het meest effectief is! Dus dat leerlingen daarbij met de minste inspanning het meeste leren. (Uiteraard is dit  ook goedkoper, maar dat komt hier op de tweede plaats.)

De vraag ‘hoe ver?’ laten we voorlopig open
Natuurlijk is dit alles, als je het zou doen, wél radicaal in de zin dat je daarbij het hele onderwijs, inclusief de lerarenopleidingen etc., overhoop zou gooien. Dit is vast niet wat de staatssecretaris voor ogen heeft. En alle eerdere ervaringen wijzen erop dat je ‘het onderwijs’ ook niet in één grote slag van bovenaf moet willen veranderen. Het zou veel beter zijn, als de impuls tot verandering, vanuit ouders en leraren komt.

Daarom laat ik de vraag ‘hoe ver wil je hierin gaan?’ bewust open.

Maar ik vind dat wij die pas moeten stellen, nadat wij eerst de vraag van de staatssecretaris hebben beantwoord: hoe kan het onderwijs kinderen het best op hun toekomst voorbereiden?

Heb je iets geschreven of geblogd, dat hierop reageert of voortbouwt, dan ben ik nieuwsgierig. Laat het me weten! 

Vind je dit verhaal waardevol en wil je bevorderen dat het serieus wordt genomen door de commissie van wijze mensen, die straks de adviezen aan staatssecretaris Dekker beoordeelt, deel het dan op sociale media —  zet gerust je eigen aanbeveling of commentaar erbij.

Dit artikel is inmiddels uitgegroeid tot een serie. Een overzicht daarvan vind je hier.

Dit bericht is geplaatst in Beleid, Boeken over geluk, Geluksonderzoek en Positieve Psychologie, Onderwijs met de tags , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *